Financiering
De in het kader van het Herculesinitiatief gesubsidieerde infrastructuur is bestemd voor grensverleggend en/of basisonderzoek in alle wetenschappelijke disciplines. Onderzoeksinfrastructuur omvat meer dan fysische apparaten; ook collecties, natuurlijke habitats, corpora en databanken, met inbegrip van de digitale ontsluiting ervan komen in aanmerking.
Niet alleen de aanschaf van de onderzoeksinfrastructuur zelf wordt gefinancierd. Maximaal 15% van de toelage kan gebruikt worden voor de financiering van kosten voor noodzakelijke aanpassingswerken aan gebouwen, voor aansluitings- en onderhoudskosten en voor personeel dat instaat voor het permanente onderhoud en het bedienen van de onderzoeksinfrastructuur.
Het bevorderen van de samenwerking tussen publieke kennisinstellingen onderling en tussen deze instellingen en derden bij de aankoop en het gebruik van wetenschappelijke infrastructuur is ook een van de kernopdrachten van de Herculesstichting. ‘Derden’ zijn zowel private als publieke instanties die niet noodzakelijk in Vlaanderen zijn gevestigd maar zelf geen subsidies kunnen ontvangen. Om deze samenwerking te stimuleren wordt het subsidiepercentage verhoogd indien een voorstel wordt ingediend door een consortium.
Binnen het Herculesmechanisme wordt er een onderscheid gemaakt tussen middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur.
De middelzware onderzoeksinfrastructuur wordt verder onderverdeeld in:
- Hercules 1-investeringsinitiatieven (initiatieven met een totale financieringskost tussen €150.000 en €600.000), en
- Hercules 2-investeringsinitiatieven (initiatieven tussen €600.000 en €1.500.000);
De zware onderzoeksinfrastructuur omvat de Hercules 3-investeringsinitiatieven (initiatieven hoger dan €1.500.000).
Van de door de Vlaamse Overheid ter beschikking gestelde middelen (op dit ogenblik €15.000.000 op jaarbasis) is in principe 2/3 bestemd voor de financiering van middelzware uitrusting (Hercules 1 & 2) en 1/3 voor zware uitrusting (Hercules 3). De Vlaamse Regering kan jaarlijks beslissen op grond van objectief vastgestelde noodwendigheden hiervan af te wijken.
Subsidiabele kosten
Bij de bepaling van de subsidies kunnen de volgende kostencategorieën, subsidiabele kosten genoemd, in rekening gebracht worden:
- kosten voor wetenschappelijke investeringen:
- kosten voor de aanschaf van de infrastructuur
- kosten voor onderdelen voor de constructie van de beoogde onderzoeksinfrastructuur
- herstellingskosten (*)
- kosten voor aanpassingen aan gebouwen en aansluitingskosten ten behoeve van de onderzoeksinfrastructuur (*)
- personeelskosten voor de ontwikkeling en de constructie van de onderzoeksinfrastructuur
- onderhoudskosten gedurende de hele afschrijvingsperiode:
- kosten voortvloeiend uit onderhoudsovereenkomsten
- kosten voortvloeiend uit de opwaardering van de onderzoeksinfrastructuur
- personele kosten voor het permanente onderhoud en de bediening van de onderhoudsinfrastructuur (*)
Voor de kostencategorieën vermeld onder met een asteriks (*) geldt de zogenaamde 15%-regel. Deze regel houdt in dat gespreid over de afschrijvingsperiode maximaal 15% van de subsidiëring die aan een aanvraag werd toegekend, aangewend mag worden voor de hiervoor genoemde kostencategorieën.
De volgende kostencategorieën komen niet in aanmerking voor subsidiëring:
- werkingskosten met betrekking tot de onderzoeksinfrastructuur en
- kosten voor infrastructurele voorzieningen, zoals kosten voor gebouwen, voorzieningen die tot de gebruikelijke huisvesting gerekend kunnen worden.
Middelzware infrastructuur
Voor de financiering van de middelzware onderzoeksinfrastructuur aan de universiteiten en de hogescholen beschikken de vijf Vlaamse associaties jaarlijks over trekkingsrechten zijnde een gedeelte van het globaal beschikbare bedrag dat bepaald wordt aan de hand van de Herculesverdeelsleutel. Deze sleutel is het gewogen gemiddelde van de BOF (Bijzondere OnderzoeksFondsen) - en de IOF-sleutel (Industriële OnderzoeksFondsen) waarbij de weging wordt gebaseerd op het bedrag aan overheidsbijdrage dat in het betrokken jaar aan enerzijds de Bijzondere Onderzoeksfondsen en anderzijds aan de Industriële Onderzoeksfondsen wordt toegekend.
De aan een associatie toekomende middelen voor middelzware onderzoeksinfrastructuur die na afloop van het betrokken kalenderjaar niet zijn toegewezen, kunnen met behoud van bestemming worden overgedragen naar het daaropvolgende jaar.
Bij de middelzware infrastructuur bestaan er, naast de kostprijs, verschillen in de toegekende steunpercentages.
- De geselecteerde voorstellen uit de Hercules 1-investeringsinitiatieven ontvangen een subsidiëring van 100% van de subsidiabele kost.
- Voor de geselecteerde voorstellen uit de Hercules 2-investeringsinitiatieven bedraagt de subsidiëring 70% van de subsidiabele kost. Teneinde de samenwerking tussen kennisinstellingen onderling en tussen kennisinstellingen en derden te bevorderen, kan dit percentage verhoogd worden tot:
- 90% als het voorstel uitgaat van onderzoeksgroepen uit meer dan één instelling (universiteit of hogeschool die al dan niet tot eenzelfde associatie behoren) en in het aanvraagdossier wordt aangetoond dat alle aanvragers tenminste de helft dragen van het bedrag dat zij zouden moeten betalen, mocht de resterende 10% van de subsidiabele kosten naar evenredigheid worden verdeeld.
- 100% als tenminste 1/4 van de in aanmerking komende kosten ten laste wordt genomen door een derde, dit is een andere instantie dan een universiteit of een hogeschool. Dit kunnen andere binnen- of buitenlandse onderwijs- en/of onderzoeksinstellingen of binnen- of buitenlandse bedrijven zijn die een financieel waardeerbare inbreng (financieel, materieel of personeel) doen, in ruil voor het gebruik van de infrastructuur.
Zware onderzoeksinfrastructuur
Voor zware onderzoeksinfrastructuur waarvan de totale investeringskost groter is dan €1.500.000 (categorie Hercules 3), kunnen de volgende instellingen of consortia van instellingen aanvragen indienen:
- de Vlaamse universiteiten en hogescholen;
- de strategische onderzoekscentra’s (IBBT,IMEC, VIB en VITO);
- de instellingen voor postinitieel onderwijs (ITG en de Vlerick Leuven Gent Managementschool).
Zoals bij de middelzware onderzoeksinfrastructuur, kan naast de aanschaf of de bouw, de Herculesstichting ook een beperkt deel van de exploitatie- en onderhoudskosten financieren evenals de kosten voor de inrichting van het gebouw waar de infrastructuur wordt gehuisvest.
Er kan worden samengewerkt met derden (publieke instellingen, bedrijven, …) die niet in Vlaanderen hoeven te zijn gevestigd. Derden kunnen evenwel geen subsidies ontvangen.
Om de samenwerking tussen de Vlaamse publieke kennisinstellingen onderling en met derden te stimuleren is zoals bij de categorie Hercules 2, de hoogte van het subsidiepercentage afhankelijk van de aanvragers:
- voor aanvragen ingediend door een enkele instelling die subsidies kan ontvangen, wordt 70% van de subsidiabele kosten gefinancierd;
- Voor aanvragen ingediend door een consortium bestaande uit twee of meer instellingen die subsidies kunnen ontvangen, wordt het percentage verhoogd tot 90%;
- voor aanvragen tenslotte die worden ingediend in samenwerking met derden die een substantieel deel van de kosten meefinancieren, worden de subsidiabele kosten aan 100% gefinancierd.