over hercules

lopende oproep

bijzondere opdracht

gebruikers

home > regelgeving > Vlaamse regelgeving > verslag aan de Vlaamse regering >

Verslag aan de Regering

Dit verslag in pdf-formaat

Verslag aan de Regering betreffende het ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring van onderzoeks- en innovatie-infrastructuur in Vlaanderen

1. Inleiding

Titel IV van het decreet van 19 maart 2004 betreffende de rechtspositieregeling van de student, de participatie in het hoger onderwijs, de integratie van bepaalde afdelingen van het hoger onderwijs voor sociale promotie in de hogescholen en de begeleiding van de herstructurering van het hoger onderwijs in Vlaanderen, verder Aanvullingsdecreet genoemd, legt de decretale grondslag voor de financiering op een geïntegreerde manier van onderzoeksinfrastructuur in Vlaanderen (“Herculesmechanisme”).

Onderzoeksinfrastructuur omvat alle faciliteiten en bronnen die het verrichten van grensverleggend en strategisch basisonderzoek bevorderen, daaronder ondermeer begrepen wetenschappelijke infrastructuur, collecties, natuurlijke habitats, corpora en databanken, met inbegrip van de digitale ontsluiting ervan.

Voorliggend besluit van de Vlaamse Regering betreffende subsidiëring van de onderzoeks- en innovatie-infrastructuur in Vlaanderen geeft hier nadere uitwerking aan.

Tevens legt het besluit de werkwijze vast voor de toekenning door de Vlaamse Regering van middelen die op een niet-structurele manier binnen de begroting beschikbaar komen voor investeringen in zware onderzoeksinfrastructuur.

De verwijzingen in het besluit naar mannelijke vormen zijn sekseneutraal en dit voor de leesbaarheid van de tekst.

2.   Situering

2.1. Probleemstelling

Vlaanderen beschikt momenteel niet over een structureel financieringskanaal voor (middel)zware onderzoeksinfrastructuur aan de Vlaamse universiteiten, hogescholen, instellingen voor postinitieel onderwijs en publieke onderzoekscentra. Hierdoor konden in het verleden weinig of geen substantiële investeringen worden verricht. Mogelijke alternatieve financieringskanalen kampen immers met hun eigen problemen:

Deze factoren, gekoppeld aan de hoge kostprijs van (middel)zware onderzoeksinfrastructuur, dwingt de kenniscentra dan ook tot de grootste terughoudendheid bij apparatuurinvesteringen. Hierdoor dreigt Vlaanderen een ernstige achterstand op te lopen ten opzichte van de rest van Europa.

2.2.     Ad hoc initiatieven

Gelet op de boven vermelde problemen werd een drastische inhaaloperatie inzake investeringen in zware onderzoeksinfrastructuur in Vlaanderen onontbeerlijk. Vanaf 2001 nam de Vlaamse Regering dan ook een aantal initiatieven om hieraan tegemoet te komen. Een overzicht van deze initiatieven wordt weergegeven in onderstaande tabel :


Jaar

Onderzoeksinfrastr. 
[begunstigde]

Fin.kanaal

Bedrag

2001

Subsidiëring van de uitbouw van een hoogperformant elektronisch netwerk in Vlaanderen [Vlaamse hogescholen]

BA 71.10.41.05

2,5 MEUR

2002

Subsidiëring van de uitbouw van een hoogperformant elektronisch netwerk in Vlaanderen [Vlaamse hogescholen + Vlaams Instituut voor de Zee -VLIZ]

BA 71.10.12.06

2,5 MEUR

2002

Nieuwe cleanroom met een platform voor 300m wafers [Interuniversitair Micro-elektronica Centrum IMEC]

FFEU 2002

37,2 MEUR

2003

Uitbouw van een pilot-gridinfrastructuur in Vlaanderen
[Vlaamse universiteiten, hogescholen en onderzoeksinstellingen]

FFEU 2003

0,72 MEUR

2003

IS-HS systeem: hyperspectrale sensor voor de monitoring en modellering van plantenproductie [KU Leuven]

FFEU 2003

0,73 MEUR

2003

Bio-incubatoren [Vlaams instituut voor Biotechnologie - VIB]

FFEU 2003

3,0 MEUR

2004

Bijdrage aan de werkingskosten van de Mercator-telescoop op La Palma voor de jaren 2004 en 2005 [KULeuven]

BA 71.20.12.24

0,5 MEUR

2004

Aanschaf van een "High Altitude Long Endurance Unmanned Aerial Vehicle [Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek - VITO]

BA 71.20.85.01

10,99 MEUR

2005

De uitbouw van een hoogperformant elektronisch netwerk voor onderzoek in Vlaanderen: inschakeling van glas-vezels van de Vlaamse Gemeenschap in de infrastructuur van BELNET, het federale onderzoeksnetwerk

BA 71.10.12.06

1,0 MEUR

2006

Eénmalige subsidie aan het FWO voor internationale onderzoeksprojecten in het kader van CERN en ESRF (DUBBLE)

BA 71.20.41.01

0,75 MEUR

2006

Elektronisch onderzoeksnetwerk

BA 71.10.12.06

2,023 MEUR

2006

IS-HS fase II

BA 71.30.99.11

1,15 MEUR

Naast deze initiatieven besliste de Vlaamse Regering op 12 december 2003 om tegemoet te komen aan het gestelde probleem inzake investeringsruimte voor zware onderzoeksinfrastructuur aan de Vlaamse universiteiten, door de goedkeuring van de impulsfinanciering voor wetenschappelijke apparatuur ten laste van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eénmalige Investeringsuitgaven (FFEU)  (VR/2003/12.12/DOC.1279).

In 2003 werd een bedrag van 25 MEUR ter beschikking gesteld van de Vlaamse universiteiten voor de aankoop van zware apparatuur voor strategisch basisonderzoek. Concreet werden 20 dossiers geselecteerd die in de loop van 2004 en 2005 werden gerealiseerd. Het succes van het FFEU-initiatief 2003 bracht wel aan het licht dat er een discrepantie bleef bestaan tussen vraag en aanbod . Daarom werd in 2004 beslist om een tweede oproep tot het indienen van voorstellen te lanceren ten laste van het FFEU 2004, sector wetenschapsbeleid (VR/2004/16.04/DOC.0474). In totaal werd voor de ronde 2004 een budget van 14,3 MEUR ter beschikking gesteld.

Parallel aan de FFEU-initiatieven gericht op zware onderzoeksinfrastructuur werden binnen de nieuwe beheersovereenkomst met het FWO-Vlaanderen (2002-2007) een aantal bepalingen opgenomen, waarbij de klemtonen van de subsidiebesteding deels werden verlegd naar de financiering van middelzware onderzoeksinfrastructuur.

Meer specifiek zijn volgende bepalingen opgenomen:

In zijn concrete implementatie stelde artikel 7, 5º van de lopende beheersovereenkomst een probleem. De ervaring leerde immers snel dat deze bepaling te rigide was om te komen tot een evenwichtige financiering van enerzijds projecten en anderzijds middelzware uitrusting. In addendum 1 bij de beheersovereenkomst 2002-2007 werd dit percentage dan ook verminderd tot 10%. Deze wijzing laat aan het FWO toe binnen zijn beleidsautonomie naar gelang de kwaliteit van de ingediende projecten een eigen afweging te maken. Tevens anticipeerde dit addendum op de instelling van het Herculesfinancieringmechanisme voor (middel)zware uitrusting.

Daarnaast werd in addendum 2 bij de lopende beheersovereenkomst voor 2006 een ad-hoc financiering voorzien voor de deelname van Vlaamse onderzoekers aan projecten die worden uitgevoerd aan big science faciliteiten zoals de CERN (VR/2006/28.04/DOC.0413). Deze projecten waarvan de omvang van de institutionele, operationele en logistieke kosten beduidend hoger is dan deze van de andere, reguliere projecten, kwamen in directe competitie met deze laatste. Hierdoor kwam de financiering van projecten onder druk.

In afwachting van de structurele regeling, werd deze ad-hoc regeling in addendum 4 bij de lopende beheersovereenkomst in een licht gewijzigde vorm verlengd voor 2007 (VR/2006/15.12/DOC.1545 BIS).

2.3. Tussenevaluatie van de ad hoc-initiatieven

De FFEU-initiatieven 2003 en 2004 werden door de universiteiten zeer gunstig onthaald, gelet op de belangrijke financiële impuls die werd gegeven. Maar ondanks het onmiskenbaar gunstig effect van deze initiatieven, blijft de gevolgde werkwijze kampen met een aantal fundamentele problemen:

Rekening houdend met deze elementen wordt binnen de beleidsnota wetenschap en innovatie 2004-2009 specifieke aandacht besteed aan het thema onderzoeksinfrastructuur. De beleidsnota vermeldt in dit verband (p. 31):

Inzake zware apparatuur heeft de Vlaamse regering een aantal belangrijke initiatieven genomen voor de financiering hiervan ten laste van het Financieringsfonds voor Schuldafbouw en Eenmalige Investeringsuitgaven (FFEU) maar er is geen structureel financieringskanaal, dat de apparatuurnoden van de Vlaamse onderzoeksactoren structureel kan lenigen. Bovendien ontbreekt het aan specifieke financiering voor de werking-, onderhoud-, actualisering- en personeelskosten die met deze apparatuur verbonden zijn.

Er zal onderzocht worden op welke wijze de aanschaf van zware onderzoeksinfrastructuur op een structurele manier kan gefinancierd worden. Bij het uitwerken van de modaliteiten van dit financieringsmechanisme zullen incentives worden ingebouwd om de gemeenschappelijke aanschaf door meerdere onderzoeksactoren te stimuleren.

Voor die infrastructuur, die omwille van de kostprijs of de beperkte kritische massa van de eigen onderzoeksgemeenschap niet in Vlaanderen zelf kan worden uitgebouwd maar die elders beschikbaar is, moeten in functie van de noden van de Vlaamse onderzoeksgemeenschap toegangsmogelijkheden worden gecreëerd.

Om strategische beslissingen te kunnen nemen over de deelname aan initiatieven voor de ontwikkeling van nieuwe superapparatuur, die a-priori slechts in een internationale, multilaterale context kan worden gefinancierd en waarvan de kostprijs vaak meerdere tientallen miljoenen EUR bedraagt, zal de Vlaamse overheid een toetsingskader ontwikkelen. Strategische afspraken met prioritaire partnerlanden of partnerregio’s kunnen hierbij een belangrijke rol spelen.

Deze beleidsopties geven mee invulling aan de algemene doelstelling van de Vlaamse Regering om via een grotere samenwerking tussen de verschillende actoren het innovatiekarakter van Vlaanderen te versterken.

3. Naar een structureel financieringsmechanisme voor onderzoeks- en innovatie-infrastructuur

3.1. Rationale en doelstellingen

De beschikbare onderzoeksinfrastructuur bepaalt in belangrijke mate de wetenschappelijke kwaliteit, het economische potentieel en de internationale aantrekkingskracht van het Vlaamse wetenschaps- en innovatiebestel.

Grote onderzoeksfaciliteiten zijn om diverse redenen sleutelelementen bij het versterken van de innovatiekracht binnen Vlaanderen:

3.2. Het Herculesmechanisme

Rekening houdend met het voorgaande voorziet het Aanvullingsdecreet in de instelling van een afzonderlijk financieringsmechanisme voor middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur, hierna Herculesmechanisme genoemd.

Om een optimale financiering te verzekeren worden binnen het Herculesmechanisme verschillende opties voor aankoop en/of samenwerking uitgewerkt, rekening houdend met volgende strategische doelstellingen:

Met de instelling van het Herculesmechanisme dient het FWO niet langer vanuit de dotatie die de Vlaamse overheid aan deze financieringsinstantie toekent, middelzware uitrusting te financieren. Binnen het FWO-Vlaanderen werden middelen vastgelegd die het toelaten om vanaf 2007 (tot en met 2010) 5 miljoen euro per jaar ter beschikking te stellen voor het lanceren van oproepen voor middelzware onderzoeksinfrastructuur . Na de inwerkingtreding van het Herculesmechanisme kan het FWO deze middelen aanwenden voor andere initiatieven die kaderen binnen haar missie.
De specifieke modaliteiten van het Herculesmechanisme worden hierna toegelicht.

3.3. Modaliteiten van het Herculesmechanisme

Het Aanvullingsdecreet heeft de krachtlijnen vastgelegd van het Herculesmechanisme en deze worden in voorliggend besluit nader uitgewerkt.

3.3.1 Algemene kenmerken

Het Herculesmechanisme is een kanaal voor de financiering van middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur aan de Vlaamse universiteiten en hogescholen via de associaties. Voor zware onderzoeksinfrastructuur wordt de doelgroep uitgebreid met de instellingen voor postinitieel onderwijs en de Vlaamse strategische onderzoekscentra. Derden uit de publieke of de private sector kunnen steeds deelnemen aan initiatieven (zij kunnen zelfs de aanvragen tot financiering (mee) indienen), maar ze ontvangen hier geen persoonlijke subsidie voor. Deze samenwerking wordt gestimuleerd door middel van een verhoging van de subsidiepercentages.

Aangezien het Hercules-initiatief zowel bestemd is voor de financiering van wetenschappelijke uitrusting voor grensverleggend als voor basisonderzoek worden het IWT en het FWO samen verantwoordelijk voor het beheer ervan. Zoals vastgelegd in het Aanvullingsdecreet wordt deze samenwerking institutioneel vormgegeven via de oprichting van een privaatrechtelijk extern verzelfstandigd agentschap, “Herculesstichting” genaamd. Deze entiteit is het formele beslissingsorgaan dat bij haar werkzaamheden ondermeer maximaal beroep zal doen op de operationele en de wetenschappelijke expertise van FWO-Vlaanderen en IWT.

3.3.2. Indeling van de ondersteuning

Binnen het Herculesmechanisme worden drie categorieën aanvragen gedefinieerd:

Voor de financiering van onderzoeksinfrastructuur kleiner dan 150.000 EUR kan blijvend gebruik worden gemaakt van de algemene aanvraagmogelijkheden binnen de bestaande financieringskanalen voor grensverleggend en strategisch basisonderzoek, i.e. als onderdeel van de klassieke projectaanvragen (personeel, werking, uitrusting).

3.3.3. Procedure, selectie en financiering

Artikel VI.9.13 van het Aanvullingsdecreet legt de verschillende kostencategorieën vast die voor subsidiëring in aanmerking komen:

Aangezien de instellingen die (middel)zware uitrusting installeren, vaak aanpassingswerken aan gebouwen moeten uitvoeren en het efficiënt gebruik van de onderzoeksuitrusting in sommige gevallen gespecialiseerd personeel vraagt, wordt voorzien dat, gespreid over de afschrijvingsperiode van de investering per dossier maximaal 15% van de middelen die aan een aanvraag worden toegekend kunnen gaan naar kosten voor de aanpassingen aan gebouwen en aansluitingskosten, herstellingskosten aan de uitrusting en personele kosten voor onderhoud en bediening. De personeelsleden dienen te worden aangeworven door de onthaalinstelling.

Kosten die niet in aanmerking komen voor subsidiëring zijn:

Middelzware infrastructuur - Categorie 1 en 2

Categorie 1 en 2 hebben betrekking op middelzware onderzoeksinfrastructuur in de universiteiten en de hogescholen die zijn georganiseerd in vijf associaties. Artikel VI.9.11 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat de middelen voor middelzware uitrusting worden verdeeld onder de associaties door middel van een Herculesverdeelsleutel die wordt afgeleid uit de BOF- en IOF-sleutel. De Herculesmiddelen zijn immers bestemd voor de financiering van uitrusting bestemd voor zowel grensverleggend als basisonderzoek.

Artikel 3 van het besluit geeft uitvoering aan bovenvermelde decretale bepaling: de Herculessleutel die in een bepaald jaar wordt gehanteerd, is het gewogen gemiddelde van de BOF- en IOF-sleutel waarbij de weging wordt gebaseerd op het totale bedrag dat aan beide financieringskanalen wordt toegekend in datzelfde jaar.  

Selectieprocedure

Voor de toekenning van de middelen voor middelzware onderzoeksinfrastructuur organiseren de associatiebesturen associatiebrede oproepen, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen categorie 1 en categorie 2 aanvragen.

Hiervoor legt, in uitvoering van artikel 101bis van het Structuurdecreet het associatiebestuur een reglement vast met ondermeer de selectieprocedure en de selectiecriteria. Art VI.9,11 §2, 3º  van het Aanvullingsdecreet legt de elementen vast waaraan het investeringsplan dat deel moet uitmaken van een aanvraag, dient te worden getoetst. Deze selectiecriteria en latere wijzigingen hieraan worden mede gedeeld aan de Vlaamse minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid en aan de Herculesstichting.

De selectie van de voorstellen die in aanmerking komen voor financiering gebeurt in drie stappen:

Financieringspercentages

Het onderscheid tussen de categorie 1 en de categorie 2 aanvragen bestaat, naast de kostprijs, in verschillen in de toegekende steunpercentages.

De geselecteerde voorstellen uit categorie 1 ontvangen een subsidiering van 100% van de subsidiabele kosten.

Voor de categorie 2 voorstellen bedraagt deze 70%. Dit percentage wordt verhoogd tot:

Deze werkwijze is ingegeven door verschillen in de omvang van de investering zelf. Alhoewel de uitrusting onder categorie 1 duidelijk valt onder het kenmerk middelzwaar, gaat het vaak om courante instrumenten in de brede zin waarover een onderzoeksgroep moet beschikken om competitief onderzoek te doen en die binnen deze groep intensief worden gebruikt. Een structurele regeling voor gebruik door derden is in de grote meerderheid van de gevallen niet aan de orde en zou – gelet op de relatief beperkte investering – leiden tot een onverantwoord zware overhead.

Voor categorie 2 is de omvang van de investering reeds zo groot dat zorgvuldig dient te worden onderzocht of één onderzoeksgroep alleen wel optimaal deze infrastructuur gebruikt. Om samenwerking te stimuleren wordt een dubbel mechanisme voorzien. Indien onderzoekers bij het uitwerken van hun voorstel dit reeds niet hebben gedaan, dienen de associaties in de schoot van de Herculesstichting te overleggen over mogelijkheden tot samenwerking. Ook zullen vertegenwoordigers van ondermeer het bedrijfsleven hierbij betrokken worden om te onderzoeken of samenwerking met derden mogelijk is. In het eerste geval wordt het steunpercentage verhoogd tot 90% en in het ander geval financiert de Herculesstichting alle subsidiable kosten die ten laste vallen van de universiteiten of de hogescholen.

Zware infrastructuur - Categorie 3

Categorie 3 heeft betrekking op zware onderzoeksinfrastructuur waarvan de mogelijkheden en de noden in vele gevallen één enkele instelling te boven gaan.

De werkwijze voor de subsidiëring van zware onderzoeksinfrastructuur verschilt grondig van deze die wordt gevolgd voor de middelzware uitrusting waarvoor alleen universiteiten en hogescholen aanvragen kunnen indienen en waarvoor elke associatie over een vooraf bepaalde jaarlijkse enveloppe beschikt.

Aanvragers

Om competitief te blijven hebben de strategische onderzoekscentra en de instellingen voor postinitieel onderwijs, zoals de hogeronderwijsinstellingen, nood aan zware uitrusting. De financiering hiervan is vaak niet mogelijk met eigen middelen of op onderzoekscontracten. In het besluit wordt daarom voorzien dat zowel de strategische onderzoekscentra als de instellingen voor postinitieel onderwijs kunnen optreden als (mede)aanvrager.

Voor de toekenning van de middelen voor zware infrastructuur geldt een open competitie tussen verschillende actoren. Naast de universiteiten en de hogescholen kunnen de strategische onderzoekscentra en de instellingen voor postinitieel onderwijs aanvragen indienen.

Categorie 3 is zo omvangrijk dat een consortium de meest aangewezen formule is voor het aanvragen en beheren ervan. Belangrijk is hierbij dat maximaal wordt gestreefd naar samenwerking met de industrie om de bijdrage aan de Vlaamse innovatiecapaciteit zo krachtig mogelijk te maken. Het besluit voorziet dan ook dat ondernemingen, maar ook andere wetenschappelijke instellingen als medeaanvrager kunnen optreden.

De aanvragen worden ingediend door de onderzoeksgroepen. De onderzoeksgroepen dienen aan te tonen dat ze behoorlijk gemandateerd zijn door het bestuur van een betrokken instelling.

Financieringspercentages

Voor de financieringspercentages van categorie 3 geldt dezelfde regel als voor categorie 2, met dien verstande dat ook strategische onderzoekscentra en de instellingen voor postinitieel onderwijs in aanmerking komen voor steun.

Selectieprocedure

De oproepen voor het indienen van subsidieaanvragen voor categorie 3 worden georganiseerd door de Herculesstichting.

De evaluatie van de ingediende voorstellen verloopt in twee stappen:

Wetenschappelijke evaluatie van ingediende voorstellen

In een eerste stap worden de aanvragen voorgelegd aan een in te stellen wetenschappelijke adviescommissie (“Hercules Science”). De minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid, stelt de leden van deze commissie aan uit een dubbeltal dat wordt voorgedragen door de Herculesstichting. De leden dienen in hun domein een internationale erkenning te genieten. Ten hoogste 1/3 de leden mag op het ogenblik van de aanstelling in België werkzaam zijn. Bovendien dient minstens één lid uit de industriële sector te komen.

De Commissie Hercules-Science beoordeelt de wetenschappelijke kwaliteit van de aanvragen. Deze samenstelling verzekert enerzijds dat de nodige kennis over het Vlaams wetenschaps- en innovatiebestel in de schoot van de commissie aanwezig is en waarborgt anderzijds de nodige afstandelijkheid die bij de beoordeling van zulke zware investeringen onmisbaar is. Bij de samenstelling dient erover gewaakt te worden dat personen met een brede visie op de domeinspecifieke ontwikkeling van de wetenschap en technologie worden aangeduid zodanig dat commissie alle relevante domeinen afdekt. Voor gedetailleerde analyse van voorstellen kan de Commissie Hercules-Science bij de voorbereiding van haar adviezen beroep doen op vooraanstaande deskundigen uit het specifiek vakgebied of vakgebieden waarop de aanvraag betrekking heeft.

De Commissie Hercules-Science beoordeelt de wetenschappelijke kwaliteit van de aanvragen aan de hand van de volgende criteria:  

1°        de wetenschappelijke kwaliteit en relevantie van het door middel van de onderzoeksinfrastructuur uit te voeren onderzoeksprogramma ;
2°        het belang van de onderzoeksinfrastructuur voor het onderzoek binnen de betrokken wetenschappelijke discipline ;
3°        het innoverend karakter van het door middel van de onderzoeksinfrastructuur uit te voeren onderzoeksprogramma ;
4°        de mate waarin de onderzoeksinfrastructuur als logistiek knooppunt een grote reeks nieuwe projecten kan genereren ;
5°        het technologisch vernieuwend karakter van de onderzoeksinfrastructuur ;
6°        in geval de onderzoeksinfrastructuur moet worden geconstrueerd : de technische haalbaarheid van de onderzoeksinfrastructuur ;
7°        de kwaliteit en de competentie van de betrokken onderzoeksgroep of -groepen, de wetenschappelijke positie van de betrokken onderzoeksgroep of -groepen in internationale context, alsook de betrokkenheid bij het beleid van internationale onderzoeksinfrastructuren ;
8°        de mate waarin het voorstel kan worden ingepast in het strategische onderzoeksbeleid van de betrokken instelling of instellingen ;
9°        de mate waarin de investering in de onderzoeksinfrastructuur bijdraagt tot de versteviging van de Vlaamse of de regionale positie op het betreffende onderzoeksdomein ;
10°      de mate waarin het voorstel gealigneerd is op zowel binnen- als buitenlandse initiatieven en infrastructuren binnen het betreffende onderzoeksdomein ;
11°      voor zover relevant, de toegankelijkheid van de onderzoeksinfrastructuur voor onderzoekers van buiten de onthaalinstelling, alsook de kwaliteit van de toegangsregeling.

De commissie rangschikt de excellent bevonden aanvragen.

Financieel, technische en maatschappelijke evaluatie van ingediende voorstellen

In een tweede stap worden de op wetenschappelijke basis excellent beoordeelde aanvragen voor advies voorgelegd aan een in te stellen commissie die instaat voor een financiële beoordeling van de voorgestelde investeringsplannen (Commissie “Hercules Invest”). Deze commissie wordt samengesteld uit personen voorgedragen door de Herculesstichting, het departement Economie, Wetenschap en Innovatie (EWI) en de Participatiemaatschappij Vlaanderen (PMV) en wordt aangesteld door de minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid. Leden van de raad van bestuur of het management van de Herculesstichting kunnen niet zetelen in de Commissie Hercules-Invest.

Tevens onderzoekt de Commissie Hercules-Invest of er zich geen mogelijkheden of noden aandienen voor een (sterkere) samenwerking tussen de instellingen die voor financiering in aanmerking komen of als medevrager kunnen optreden, maar ook met derden zowel in Vlaanderen als daarbuiten. Bijzondere aandacht dient hierbij te worden besteed aan mogelijkheden voor samenwerking met het bedrijfsleven.

De Hercules Invest-commissie zal op basis van concrete dossiers aanbevelingen formuleren om creatieve vormen van samenwerking te stimuleren. De volgende aankoopopties worden beschouwd:

Deze vorm van aankoop kan in bepaalde gevallen opportuun zijn:

Belangrijk is dat in dit geval de samenwerking contractueel wordt vastgelegd in een formeel samenwerkingsakkoord waarin de doelstellingen en belangen van alle partijen duidelijk geïdentificeerd zijn en de gezamenlijke investering van middelen duidelijk en op verifieerbare wijze wordt vastgelegd. Deze middelen kunnen zowel betrekking hebben op geld, infrastructuur en op mensen, als op immateriële activa zoals kennis, technologie, expertise en informatie. De subsidiëring voor de investering zal hier gespreid worden over de periode dat de ontwikkeling gebeurt en wordt best gekoppeld aan bepaalde mijlpalen. Voor de kosten verbonden aan gebruik na oplevering (garantie, onderhoud, gealloceerd personeel) zal dit jaarlijks gebeuren gedurende de periode dat de apparatuur voor toponderzoek kan worden aangewend.

Beslissing

De Raad van bestuur van de Herculesstichting neemt een eindbeslissing waarbij slechts de lijst van de door de Commissie Hercules-Science excellent bevonden aanvragen kan worden bekrachtigd of afgewezen. Bij afwijzing worden de Commissie Hercules-Science en de Commissie Hercules-Invest opnieuw bevraagd, desgevallend met uitdrukkelijke opgave van de elementen die volgens de raad van bestuur nader moeten worden onderzocht.

Indien de Commissie Hercules-Invest omtrent een aanvraagdossier een aanbeveling heeft geformuleerd, kan de raad van bestuur van de Herculesstichting:
- de aanbeveling verwerpen, waarop het dossier wordt goedgekeurd;
- de aanbeveling geheel of ten dele aanvaarden, en wordt het dossier goedgekeurd,  met dien verstande dat de door de raad van bestuur opgelegde voorwaarden op het vlak van financiering of samenwerking gelden als subsidiëringsvoorwaarden;
- de aanbeveling geheel of ten dele aanvaarden, waarbij het dossier slechts wordt goedgekeurd indien aan de raad van bestuur de nodige remediëringen worden voorgelegd binnen een door de raad van bestuur bepaalde termijn.

3.3.4. Financiering van (middel)zware onderzoeksinfrastructuur

De Herculesstichting ontvangt vanuit de Vlaamse begroting jaarlijks een dotatie voor de financiering van middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur. Voor het opstartjaar 2007 is een bedrag van 5 miljoen euro in de Vlaamse begroting ingeschreven. In het kader van de meerjarenbegroting waarin voor de volgende jaren een belangrijke stijging van de overheidmiddelen voor onderzoek en innovatie is voorzien, zal de dotatie aan de Herculesstichting worden verhoogd. Voor 2008 is een structurele financiering voor middelzware en zware onderzoeksinfrastructuur voorzien van 15 miljoen euro.

3.3.5. Eigendomsrechten

Het besluit bepaalt inzake (midddel)zware onderzoeksinfrastructuur dat de aangekochte apparatuur beheerd moet worden door een aanwijsbare onthaalinstelling (die over een zakelijk recht (eigendom, mede-eigendom, vruchtgebruik,…) dient te beschikken) en die ook de verantwoordelijkheid heeft over het optimale gebruik van de infrastructuur.

3.3.6.  Evaluatie van het initiatief

Voorliggend besluit regelt eveneens de beleidsmatige evaluatie van het Herculesmechanisme.  Om de vijf jaar zal een panel van onafhankelijke deskundigen de werking en de impact ervan beoordelen in termen van wetenschappelijke, economische en maatschappelijke valorisatie.

De eerste evaluatie die in de loop van 2012 wordt uitgevoerd dient minstens betrekking te hebben op volgende punten:

Waar relevant voor beoordeling, zal aan de onthaalinstellingen opdracht worden gegeven de nodige gegevens in logboeken bij te houden. In het kader van de evaluatie zullen deze gegevens ter beschikking worden gesteld van de deskundigen. Aan deze deskundigen zal eveneens worden gevraagd voorstellen te doen m.b.t. mogelijke bijstellingen aan het financieringsmechanisme teneinde de doelmatigheid en efficiëntie ervan te verbeteren.

3.4. Opmerkingen inzake staatssteun

Het Herculesmechanisme is uiteraard verenigbaar met de Europeesrechtelijke regelingen inzake staatssteun, indien de steun verleend wordt aan non profit-instellingen.

Indien ondernemingen participeren aan een gesubsidieerd initiatief (zie inzonderheid art. 20 van het ontwerpbesluit), dient gewezen te worden op de Europese Kaderregeling O&O&I  aangaande samenwerkingsprojecten tussen ondernemingen en onderzoeksorganisaties.

Voornoemde regeling bepaalt dat slechts indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan, geen sprake is van (indirecte) staatssteun aan de betrokken ondernemingen :

De Herculesstichting zal er op toezien dat de overeenkomsten in de schoot van de consortia aan ten minste één van deze voorwaarden voldoen.

4. Specifieke investeringen in zware onderzoeksinfrastructuur

De minister bevoegd voor het wetenschaps- en innovatiebeleid wint het advies in van de Commissie Hercules-Science over:

Gelet op haar samenstelling en prestige is deze commissie bijzonder goed geplaatst om vertrekkend van de kenmerken van het Vlaams wetenschaps- en inoovatiebestel en de potentiële impact van de voorstellen hierop, een advies te formuleren.

5. Financiering

Ten behoeve van de Herculesstichting voor de financiering van middelzware en zware onderzoeksuitrusting wordt vanaf het begrotingsjaar 2007 een nieuwe basisallocatie ingeschreven.

Artikel VI.9.10 van het Aanvullingsdecreet bepaalt dat 2/3 van deze middelen bestemd zijn voor middelzware en 1/3 voor zware uitrusting. De Vlaamse Regering kan jaarlijks beslissen op grond van objectief vastgestelde noodwendigheden hiervan af te wijken.

Dit artikel voorziet ook hoe de Herculesstichting dient om te gaan met bedragen die in bepaald jaar niet worden aangewend: naast de overdracht met behoud van bestemming naar het volgend jaar, kan dit bedrag ook geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan door de Vlaamse Regering aan te wijzen investeringsinitiatieven. Zoals bepaald in artikel 8 van voorliggend besluit kan een associatie het niet bestede gedeelte van de middelen voor middelzware uitrusting die haar in een begrotingsjaar wordt toegekend, met behoud van bestemming overdragen naar een volgend jaar.

Gezien om gevoegd te worden bij het besluit van de Vlaamse Regering betreffende de subsidiëring van de onderzoeks- en innovatie-infrastructuur in Vlaanderen.

Brussel,

 

De Minister-president van de Vlaamse Regering

Kris PEETERS

 

De Vlaamse Minister van Economie, Ondernemen,
Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel

Patricia CEYSENS

 

Op basis van de jaarverslagen 2003 van de universiteiten kunnen we afleiden dat dit ongeveer 30% bedraagt van de totale bestedingen aan onderzoeksinfrastructuur binnen de universiteiten (incl. de FWO-middelen).

Deze financiering omvat enkel een bijdrage tot de aanschaf van de infrastructuur.

72 voorstellen werden ingediend, waarvan er slechts 20 voor financiering konden worden geselecteerd en waarbij 10 voorstellen in reserve werden geplaatst.

In Nederland verloopt de financiering voor zware onderzoeksinfrastructuur via de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Voor de periode 2005-2006 beschikt NWO over twee investeringsprogramma’s: het ‘NWO-middelgroot’ programma voor investeringsaanvragen met een bijdrage tussen 110 KEUR en 900 KEUR met een totaal budget over de 2 jaar van 20 MEUR en het `NWO-groot’ programma voor investeringen hoger dan 900 KEUR met een totale budgettaire omvang van 18,5 MEUR voor de 2 jaar.

In dit verband kan worden verwezen naar het succes van IMEC. Dankzij voortdurende grote investeringen in clean room faciliteiten is IMEC uitgegroeid tot Europa’s grootste onafhankelijke laboratorium voor micro- en nano-elektronica. Hierbij dient opgemerkt dat dergelijke investeringen gebeuren met een belangrijke participatie van de private sector.

Hier kunnen we verwijzen naar het initiatief van de ‘bio-incubator’ aan het VIB.  De bio-incubator biedt de nodige infrastructuur om jonge, groeiende biotechnologiebedrijven in staat te stellen om het vertaaltraject van onderzoeksresultaten naar commercialisering qua tijd en kosten te reduceren.

De beslissing over deze procedure werd door het Bureau van het FWO-Vlaanderen genomen op 13/10/2005.

Operationele leasing of renting mag niet verward worden met financiële leasing of huurkoop. In beide laatste gevallen wordt de instelling van bij de aanvang eigenlijk economisch (niet noodzakelijk juridisch) eigenaar van de onderzoeksapparatuur zodat wanneer de instelling tot de sector overheid behoort, de totale investeringswaarde meteen een impact heeft op het vorderingensaldo.